Waarom zoeken meiden geen hulp?

Voor veel meiden is het geen optie om hun problemen te bespreken binnen de gemeenschap. Dan is de kans groot dat er over hen geroddeld wordt en dat de eer van de familie wordt aangetast. Ouders mogen zeker niet te weten komen wat er speelt, met name als het met seksualiteit en relaties te maken heeft. Buiten de eigen kring problemen bespreken is ook moeilijk, want de hulpverlening is erg onbekend, wordt gewantrouwd en meiden zijn bang om niet begrepen te worden. Hulpverlening voor deze meiden moet dus laagdrempelig zijn en aansluiten bij de problemen en de beleving van de meiden zelf.

 

Drempels

Er zijn verschillende opvattingen en denkbeelden van meiden én hun ouders die er voor zorgen dat zij geen hulp zoeken:

  • ‘Problemen los je op binnen de familie’:veel jongeren van Turkse en Marokkaanse afkomst vinden, net als hun ouders, dat je problemen eerst binnen de familie of eigen kring moet proberen op te lossen.
  • ‘De vuile was hang je niet buiten’: roddel is gevaarlijk want die tast de goede naam van de familie aan. Over problemen praat je dus niet, dan loop je kans dat je het onderwerp wordt van roddel.
  • Angst dat je ouders je problemen ontdekken: meiden willen graag voorkomen dat ouders weet krijgen van hun problemen, omdat ouders dan wel eens maatregelen kunnen nemen om de familie-eer te beschermen. Meiden zijn bang dat hulpverleners de ouders op de hoogte stellen. Deze angst kan soms terecht zijn: sommige hulpverleners zijn gewend om altijd de ouders op de hoogte te stellen van hun contacten met een meisje. Voor meiden uit culturen waarin de familie-eer voorop staat, kan dit zeer gevaarlijk zijn: wanneer bekend wordt dat meiden hun verhaal hebben verteld aan hulpverleners, schaadt dit de familieeer en zullen ouders vaak maatregelen nemen om de familie-eer te beschermen. Het meisje kan dan te maken krijgen met eergerelateerd geweld (zie vraag 4).
  • Het stigma op hulp zoeken: hulp zoeken bij een professionele instantie voor psychische problemen wordt vaak direct in verband gebracht met ‘gek zijn’.
  • Onbekendheid met de hulpverlening: er is zowel bij de meiden zelf als bij hun ouders vaak onvoldoende kennis van de mogelijkheden voor hulpverlening. Zo is bijvoorbeeld vaak onbekend dat naast de huisarts ook andere hulpverleners beroepsgeheim hebben.
  • Er is wantrouwen ten aanzien van hulpverlening: meiden en ouders weten niet goed wat er gebeurt in de hulpverlening en zijn bang voor bijvoorbeeld directe uithuisplaatsing of opsluiting in een inrichting.
  • De hulpverlening sluit niet goed aan: meiden vragen zich af of hulpverleners van Nederlandse afkomst wel begrijpen waar meiden uit hun cultuur mee zitten.